Wet Bopz: opnieuw de positie van de arts verstandelijk gehandicapten

HR 1 februari 2019 ECLI:NL:HR:2019:165 Een arts voor verstandelijk gehandicapten die constateert dat bij de te onderzoeken patiënt niet alleen sprake is van een verstandelijke handicap maar ook van psychiatrische problematiek, dient een psychiater in te schakelen zodat deze de patiënt eveneens onderzoekt. De arts kan het onderzoek ook geheel aan de psychiater overdragen. In deze zaak is sprake van een geneeskundige verklaring van de arts voor verstandelijk gehandicapten waarin een gecombineerde diagnose is gegeven, bestaande uit schizofrenie en een verstandelijke beperking. Aan art. 1 lid 6 Wet Bopz kan niet de strekking worden toegekend dat voor een machtiging tot voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis kan worden volstaan met een verklaring van een arts verstandelijk gehandicapten indien de diagnose niet is beperkt tot het eigen deskundigheidsterrein van die arts, maar ook het deskundigenterrein van de psychiater bestrijkt. In zo’n geval is tevens een verklaring van een psychiater vereist. De Hoge Raad verwijst naar eerdere uitspraken (HR 1 september 2017, ECLIi:NL:HR:2017:2226, besproken in CB 2017-159 en ECLI:NL:HR:2018:2044, CB 2018-17 De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechtbank Den Haag en verwijst terug. The post Wet Bopz: opnieuw de positie van de arts verstandelijk gehandicapten appeared first on Cassatieblog.nl.
cassatieblog
07-02-2019 13:36