Betekening oproepingsbericht na uiterste verschijndatum kan ook nog

HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1283 Overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv is geen beletsel voor verstekverlening, mits de eiser – op eigen initiatief of, in voorkomend geval, op bevel van de rechter – bij de betekening van het exploot aan de verweerder een nieuwe uiterste verschijndatum aanzegt die de verweerder alsnog een termijn van ten minste twee weken geeft om te beslissen of hij wil verschijnen. Dat geldt ook als het oproepingsbericht pas na de in de procesinleiding vermelde uiterste verschijndatum is betekend. De aanzegging van een nieuwe uiterste verschijndatum mag echter niet leiden tot overschrijding van de in die bepalingen genoemde maximale verschijntermijn. Een weinig verrassend procesrechtelijk arrest. Het instellen van cassatieberoep in een vorderingsprocedure gaat met het indienen van een procesinleiding. Daarmee wordt de cassatietermijn veiliggesteld. Vervolgens krijgt de eiser een oproepingsbericht, dat (zie art. 112 lid 1 Rv) binnen twee weken na de indiening van de procesinleiding ter kennis moet worden gebracht van de wederpartij. Dat gebeurt in de praktijk (vrijwel) altijd door betekening. Wordt het oproepingsbericht niet binnen twee weken betekend? Dat is dan niet erg: in een eerder arrest van HR 13 oktober 2017 (zie daarover Karlijn Teuben in CB 2017-182) heeft de Hoge Raad overwogen dat die tweewekentermijn alleen maar bedoeld is om ervoor te zorgen dat na de betekening ten minste twee weken resteren voor de verweerder in cassatie om zich te stellen vóór de uiterste verschijningstermijn die in de procesinleiding is vermeld. Die uiterste verschijndatum moet namelijk (in beginsel) ten minste vier weken liggen na de indiening van de procesinleiding. Wordt het oproepingsbericht niet binnen twee weken betekend, maar pas later, maar heeft de verweerder nog wel twee weken om zich te stellen, dan is er geen probleem. Verschijnt de verweer dan niet, en is aan de andere vereisten voldaan, dan kan verstek worden verleend. In de zaak uit 2017 was het oproepingsbericht betekend ná de tweewekentermijn maar vóór de in de procesinleiding vermelde uiterste verschijndatum. In het nieuwe arrest was het oproepingsbericht zelfs betekend ná die uiterste verschijndatum. Wel was een nieuwe uiterste verschijndatum aangezegd, die meer dan twee weken na de betekening lag. Dat kan, zegt de Hoge Raad: “De in die uitspraak [uit 2017, SK] geformuleerde regels lenen zich echter ook voor toepassing in het geval dat die betekening pas ná die uiterste verschijndatum plaatsvindt. Ook in laatstgenoemd geval is overschrijding van de tweewekentermijn van art. 112 lid 1 Rv geen beletsel voor verstekverlening, mits de eiser – op eigen initiatief of, in voorkomend geval, op bevel van de rechter – bij de betekening van het exploot aan de verweerder een nieuwe uiterste verschijndatum aanzegt die de verweerder alsnog een termijn van ten minste twee weken geeft om te beslissen of hij wil verschijnen. Het vorenstaande strookt met de rechtspraak van de Hoge Raad over de verplichting tot aanzegging van een nieuwe uiterste verschijndatum in geval van betekening van een herstelde procesinleiding op een datum gelegen na de in de oorspronkelijke procesinleiding aangezegde uiterste verschijndatum.” Daar kan men nog bij bedenken: voordat het oproepingsbericht wordt betekend, weet de verweerder in beginsel ook helemaal niet welke uiterste verschijndatum is opgenomen in de procesinleiding. Het zou ook daarom niet logisch zijn geweest als de Hoge Raad anders zou hebben beslist. Wel voegt de Hoge Raad toe: “Op grond van art. 30a lid 3, aanhef en onder c, Rv en de art. 115-117 Rv mag in geen van de hiervoor in 2.5.1 en 2.5.2 bedoelde gevallen de aanzegging van een nieuwe uiterste verschijndatum leiden tot overschrijding van de in die bepalingen genoemde maximale verschijntermijn.” Die maximale verschijntermijn is gewoonlijk zes maanden. Men kan een cassatiezaak dus niet onbeperkt lang voor zich uit schuiven. Maar dat betekening van het oproepingsbericht tot uiterlijk zes maanden min twee weken mogelijk blijft, blijft ongelukkig: de partij die zeker wil weten of er door zijn wederpartij cassatieberoep is ingesteld, kan dat beter maar navragen (bij de wederpartij of de Hoge Raad), want zelfs als er maanden (maximaal zes maanden min twee weken) na het verstrijken van de cassatietermijn nog geen deurwaarder langs is geweest, zegt dat dus nog niets.
cassatieblog
22-08-2019 16:40