Hoge Raad komt niet terug van de definitie van ‘overheidswerk’ en houdt aan cassatietermijn strak de hand

HR 19 juli 2019 ECLI:NL:HR:2019:1246 De Hoge Raad besliste op 23 november 2018 (ECLI:NL:HR:2018:2161) dat in onteigeningszaken het oproepingsbericht binnen de cassatietermijn moet worden bezorgd of betekend. Dat was in deze zaak niet gebeurd. Dat in dit geval verweerders wel binnen de cassatietermijn van het instellen van cassatieberoep op de hoogte zijn gesteld (zonder dat de procesinleiding of het oproepingsbericht werd meegestuurd), maakt dat niet anders. De gemeente is niet-ontvankelijk. Ten overvloede wijst de Hoge Raad de suggestie van de hand om terug te komen van zijn definitie van een ‘overheidswerk’. Dit houdt in dat wanneer niet de onteigenende overheid het werk waarvoor wordt onteigend realiseert, maar dat een private marktpartij is, de voordelen door dat werk alleen worden geëlimineerd (als bedoeld in art. 40c Ow) als het werk tot stand wordt gebracht voor rekening en risico van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:1 lid 1 en 2 BW.   Achtergrond Deze zaak gaat over de schadeloosstelling voor onteigening door de gemeente Terneuzen. Er is onteigend voor glastuinbouw in het havengebied, te realiseren door havenbedrijf Zeeland Seaports. Cassatietermijn in onteigeningszaken In onteigeningszaken moet binnen de cassatietermijn het oproepingsbericht (met de procesinleiding en de afgelegde cassatieverklaring) worden bezorgd of betekend. Dit besliste de Hoge Raad in zijn arrest van 23 november 2018  (ECLI:NL:HR:2018:2161, ook op dit blog besproken: CB 2018-189). De procedure in onteigeningszaken wijkt daarmee af van het ‘gewone’ (cassatie)procesrecht. Bij het digitale procederen is de hoofdregel dat de procesinleiding binnen de (cassatie)termijn wordt ingediend, waarna eiser nog een termijn van twee weken krijg om het oproepingsbericht te betekenen of bezorgen. Bij de Hoge Raad wordt sinds maart 2017 digitaal geprocedeerd. Bij onteigeningszaken moet binnen de termijn niet alleen de procesinleiding worden ingediend, maar moet ook een oproepingsbericht worden gegenereerd en moet dit worden bezorgd of betekend. In deze zaak had de rechtbank op 21 februari 2018 een vonnis over de schadeloosstelling gewezen. Op 17 april 2018 werd de procesinleiding met het cassatiemiddel ingediend. Op diezelfde dag heeft de gemeente de verweerders per e-mail geïnformeerd dat er een procesinleiding was ingediend en de aanbiedingsbrief meegestuurd. Het oproepingsbericht heeft de griffie op 19 april 2018 gegenereerd. Op 26 april heeft de gemeente de (tijdig afgelegde) cassatieverklaring, procesinleiding, herstelprocesinleiding en het oproepingsbericht van de Hoge Raad betekend. A-G Valk betoogt in zijn conclusie dat de gemeente in haar cassatieberoep kan worden ontvangen. De hiervoor relevante omstandigheden zijn dat (a) eiseres wel binnen de wettelijke termijn de cassatieverklaring heeft toegezonden aan verweerders; (b) eiseres binnen de termijn een procesinleiding heeft ingediend; (c) eiseres direct mededeling heeft gedaan van die indiening, met als afschrift de aanbiedingsbrief en (d) verweerders in cassatie zijn verschenen en zich op de termijnoverschrijding niet hebben beroepen. Hij meent dat de andere betrokken belangen (in dit geval) niet anders vergen en ziet ruimte voor maatwerk. De Hoge Raad beslist anders en in lijn met het eerdere arrest. De regeling in de Ow verplicht ook tot bezorging of betekening binnen de cassatietermijn. De (hiervoor genoemde) omstandigheden van deze zaak maken dat niet anders. Termijnen zijn van openbare orde en de Hoge Raad houdt daaraan strikt de hand. De gemeente wordt niet-ontvankelijk verklaard. In onteigeningszaken is er dus een verplichting tijdig te bezorgen of betekenen, waaraan de Hoge Raad dus strikt de hand houdt. Dat is wel anders in het ‘gewone’ cassatieprocesrecht, vgl. CB 2019-105. Overheidswerken De Hoge Raad geeft nog een overweging ten overvloede voor het inhoudelijke punt dat het cassatieberoep van de gemeente aan de orde stelde. De gemeente had betoogd dat de Hoge Raad terug zou moeten komen van de definitie van ‘overheidswerk’ in het arrest Perkpolder uit 2016 (zie CB 2016-12 “Perkpolder”). Op grond van de eliminatieregel van art. 40c Ow wordt bij het bepalen van de schadeloosstelling voor het verlies van de onroerende zaak geen rekening gehouden met voor- of nadelen, teweeggebracht door 1°. het werk waarvoor onteigend wordt; 2°. overheidswerken die in verband staan met het werk waarvoor onteigend wordt; 3°. de plannen voor die werken. Deze regel brengt mee dat bij de waardering van het onteigende geen rekening mag worden gehouden met de waardevermeerdering of –vermindering die door niets anders teweeggebracht is dan door hetgeen de onteigenaar zelf aanlegt en de plannen daarvoor. In het arrest Perkpolder was de situatie aan de orde dat het niet de onteigenaar zelf maar een ‘private marktpartij’ is die het werk waarvoor wordt onteigend, realiseert. De Hoge Raad besliste in dat arrest dat  art. 40c aanhef en onder 1° zo moet worden uitgelegd dat in dat geval de voordelen door dat werk alleen worden geëlimineerd als het werk tot stand wordt gebracht voor rekening en risico van een rechtspersoon als bedoeld in art. 2:1 lid 1 en 2 BW (een ‘overheidswerk’). De Hoge Raad ziet geen aanleiding om terug te komen van zijn definitie van ‘overheidswerk’. De Hoge Raad benadrukt dat hij heeft niet bedoeld om het bereik van de in art. 40c Ow besloten eliminatieregel te beperken voor een ander type geval dan in die zaak aan de orde was (rov. 3.7.4). Ten aanzien van onderdeel A had ook A-G Valk geconcludeerd dat de klacht niet slaagde. Onderdeel B ging in op de kwalificatie als een overheidswerk en de kwalificatie van Zeeland Seaports als private marktpartij. Dit onderdeel achtte A-G Valk wel gegrond. Alle aandelen in Zeeland Seaports worden gehouden door de Gemeenschappelijke Regeling Zeeland Seaports (een openbaar lichaam waarin de provincie Zeeland en een aantal gemeenten deelnemen). Deze aandeelhouder staat garant voor schulden van de vennootschap. A-G Valk betoogt dat in het licht daarvan onvoldoende is gemotiveerd dat geen sprake is van een ‘overheidswerk’. Aan deze klacht wijdt de Hoge Raad echter geen overweging ten overvloede.
cassatieblog
29-08-2019 20:56